Op de fiets naar huis trok mijn oog naar het felle kunstlicht, rechts, aan de overkant van de provinciale weg. Zo laat in de avond, mijn onderbuik nog warm van drank en tapas, vereiste het slecht verlichte fietspad vol scheuren en bobbels eigenlijk al mijn aandacht, maar ik kon het niet weerstaan naar rechts te blijven kijken, naar het bijna witte licht, het kunstgroene voetbalveld, de doelen met slappe touwen, de spelers, maar vooral naar de bal. Iemand stond klaar om een corner te nemen. Iedereen die iets van deze corner verwachtte, stond in de doelmond. Niemand zou dus in komen lopen. Ze stonden daar maar wat en aan alles was duidelijk dat er geen sprake was van een noemenswaardig niveau; hun verschillende tenues, de armen slap, handen in de mouwen, een buikje hier en daar. Toch moest ik blijven kijken. De bal lonkte. Ik wilde de trap zien, ik wilde die bal voor het doel zien komen. Ik fietste langzamer en bekeek hoe de bal zoals verwacht, in een lelijke boog, over iedereen heen zeilde, richting de zijlijn. Vanuit de meute renden twee man weg om ‘m binnen te houden. Geen idee of dat lukte, want na de eerste stuit had ik mijn gezicht alweer weggedraaid, naar het donker, waarin ik strakke, uitdraaiende corners zag, door inlopende spelers snoeihard boven in het doel geknikt, tegen strak aangespannen touwen.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites