Twee agenten praten met de man op het bankje, in het plantsoen tussen de flatgebouwen. Hij zit voorover – benen uit elkaar, ellebogen op de knieën, handen ineen – en kijkt naar de grond. Een van de agenten gaat op zijn hurken zitten om oogcontact met hem te zoeken. De man haalt tot twee keer zijn schouders op. Hij schudt zijn hoofd. Eerst traag, maar nadat hij voor het eerst de agent die voor hem zit heeft aangekeken, schudt hij zijn hoofd heel snel en resoluut. De agenten kijken elkaar even aan en lopen dan naar de flat waar de man met zijn rug naartoe zit. De man blijft zitten zoals hij zit en hij kijkt niet op als de agenten enkele minuten later weer voor hem staan. Weer praten de agenten tegen hem aan, maar nu reageert hij helemaal niet en de agenten lopen weer naar de flat. Sneller dan daarnet komen ze terug. Samen dragen ze een grote weekendtas, die schuin tussen hen in hangt omdat de ene agent een stuk langer is dan de ander. Ze laten de tas pal voor hem op de grond ploffen en nog kijkt de man niet op. De kleinste agent steekt zijn hand uit en de man staart even naar de hand, maar doet verder niets. Als de lange agent door zijn knieën zakt en iets tegen hem zegt, helt de man langzaam opzij om iets uit zijn jaszak te halen. Hij overhandigt de agent een sleutel, waarop de agenten sneller dan de vorige twee keer naar de flat lopen. De man staat op en sloft weg, de tas achter zich aanslepend, naar de bushalte op de hoek van de straat, een meter of vijftig verderop. Daar gaat hij weer op een bankje zitten, precies zoals daarnet, maar nu met de tas tussen zijn voeten.

 

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites