Op weg naar de uitgang zag ik (sport)schrijver Marcel van Roosmalen staan. In de foyer. Hij had een trui aan en leunde tegen een muur. Of een pilaar. Geen idee eigenlijk. Eerder op de avond had ik hem ook gezien, maar toen durfde ik hem niet aan te spreken. Nu was het een uur of drie in de nacht.

Ik zei: ‘U bent toch Maarten van Roosmalen?’

De kerel naast hem keek me verbijsterd aan. ‘Zeg jij nou Maarten?’

Marcel kon er wel om lachen. Er volgde een gesprekje, in de zin dat ik tegen hem aan stond te raaskallen. Wist ik nog maar waarover. Ik zal tegen hem gezegd hebben dat ik zijn boeken over Vitesse te gek vind. Ik zal wel zijn begonnen over mijn favoriete scène in boek 1 (seizoen 2006/2007), dat de schrijver in de auto zit met Fred Benson en Abubakari Yakubu, die elke dag van Amsterdam naar Arnhem en terug reden. De leiding van Vitesse was blij dat Benson aan het stuur zat en niet Yakubu. In de bewuste scène legt Benson aan de schrijver uit dat ze bij Vitesse liever hebben dat Benson aan het stuur zit, want Yakubu is een gevaar op de weg; hij rijdt overal tachtig. In de woorden van Fred Benson: Op de snelweg toetert iedereen naar ons en in woonwijken halen we iedereen in.

Na een tijdje – een minuut? Vijf? Tien? – ging ik toch echt naar buiten. ‘Dag, Maarten,’ zei ik.

 

 

 

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites