Tegen middernacht zeiden de twee dichters tegen elkaar dat ze nu moesten vertrekken om de laatste metro naar het station te pakken. Gelukkig ben ik met de auto, floepte er uit mijn mond, en toen kon ik het niet meer maken om ze geen lift naar het station aan te bieden. De dichters – een wat oudere bekende en een piepjonge onbekende – vroegen een paar keer of het echt geen probleem was, waarop ik antwoordde dat ik toch die kant op moest, wat ook zo was, maar dat realiseerde ik me pas onderweg. Van de drie bleek ik de enige met een rijbewijs, een auto, een baan, een relatie en een koophuis en ik vroeg me even af of al die zekerheden van mij de mindere schrijver maakte. Maar toen de dichters uitstapten, verdween voor even alle twijfel. Voordat de bekende dichter het portier dichtgooide, zei hij tegen me, mompelend bijna: ‘Iets zegt me dat wij elkaar nog wel tegenkomen,’ en dat klonk heel oprecht en bemoedigend. Niet zoals de conrector van mijn middelbare school het vroeger tegen me zei. ‘Iets zegt me dat wij elkaar nog wel tegenkomen, Van Leeuwen!’

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites