Een halfuurtje voordat de Biertrom weer voor een jaar geen Biertrom meer zou zijn, stonden wij bij de snackkar op de hoek bij te komen van het springen en hossen en meezingen. In deze zachte nacht aten we nog wat vette troep voordat we elkaar in de armen vielen om te zeggen dat het weer super was geweest. Helemaal super, dus.

Leunend op de hangtafel propten we die zooi naar binnen en lachten om niets. Vanuit de Biertrom hoorden we weer dat nummer met die trompetten en we zagen voor ons hoe de overgebleven feestgangers – op hun hurken – wachtten tot de climax, tot het moment dat ze voor de zoveelste keer op konden springen en uit hun pan konden gaan.

Halverwege het volgende liedje waggelde er een verstandelijk licht beperkte man voorbij, ongeveer van onze leeftijd, maar dat weet ik niet zeker, vind ik altijd moeilijk in te schatten bij dit soort mensen. Ik kende hem wel van gezicht, van de supermarkt waar hij werkte, van de driewieler die hem overal heen brengt. Zoals naar de Biertrom, waar ik hem eerder al aan de bar had zien wankelen, met een doorweekt shirt aan, rode vlekken in zijn gezicht. Nu bewoog hij over straat alsof hij midden in een hossende menigte stond, maar zelf niet mee wilde doen.

Bij het kleine kruispunt keek hij met verwilderde ogen om zich heen, zijn armen als een vogel uitgestrekt om zichzelf in evenwicht te houden. Hij keek naar links en naar rechts, een keer of drie. Hij probeerde stil te blijven staan. We lachten erom, maar toen hij even later achter de gyroskraam uit het zicht verdween, zeiden we tegen elkaar dat een van ons er wel even achteraan moest lopen om hem eventueel te helpen. Meteen richtten de ogen zich op mijn vriendin, die jarenlang met verstandelijk gehandicapten heeft gewerkt. Ze twijfelde een seconde of wat, puur omdat ze zich naar ons toe niet te snel wilde overgeven, maar toen rende ze zijn richting op. Even later kwam ze terug, ze had hem niet kunnen vinden. Hij zat vast al op zijn driewieler. Dan valt-ie tenminste niet om, zei een van mijn vrienden, of misschien was ik het zelf. We haalden onze schouders op en lachten en aten verder.

De volgende dag stopte ik onderweg naar de supermarkt voor iemand in een rolstoel. Hij zal toch niet het kanaal in zijn gefietst, vroeg ik me hardop af. Mijn vriendin had er wel vertrouwen dat hij heelhuids was thuisgekomen. Bij het inparkeren dacht ik er nog steeds aan, maar eenmaal in de supermarkt niet meer. We liepen het pad van de pasta’s in en mijn vriendin gaf me een elleboogje,  maar ik had hem zelf al gezien, hangend op een winkelwagentje. Bij het passeren gluurde ik naar hem, niet om te zien of hij het echt was, maar om te zien hoe hij eruit zag. Hij zag eruit alsof-ie een avondje flink had doorgezakt.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites