Een bevriend stel ophalen van het vliegveld. Ze zijn drie weken op vakantie geweest, mijn vrouw heeft niet het geduld om in de auto te wachten. We staan op de tweede strook van rechts, op een aardig stuk lopen tot de draaideuren, en dan moet ze nog naar binnen, naar die schuifdeuren. Hoever dat is, kan ik niet inschatten, maar dat zal ook best een flinke wandeling zijn. Zeker voor een hoogzwangere vrouw. De buik is groot, het kind ingedaald. Maar alleen de eerste stappen zijn vervelend, daarna gaat het prima. Zij zal het wel weten, en we hebben altijd onze telefoons nog. Ik stap zelf ook uit, om tegen de auto in het lauwe zonnetje te staan, met van links een frisse wind. Het is te koud voor korte mouwen, in een goede zomer zou je in de auto blijven zitten.

Rechts voor me, op de derde strook, neemt een man afscheid van drie meisjes, ze zijn een jaar of zeventien. Geen meisjes die in het dagelijks leven de jongens van zich moeten afslaan, maar nu gaan ze ergens heen waar het dagelijks leven niet de norm is. De eerste van wie hij afscheid neemt, met een knuffel, moet zijn dochter zijn. Zij doet alles als eerste, het omhelzen, het aandrukken, het zoenen. Ze lacht erbij, met haar ogen dicht. Dat zit goed tussen die twee. De vriendinnen krijgen drie zoenen, klopjes op de rug. Dat zit ook goed.

Hij hoeft niet te helpen met de koffers. Wat hem rest zijn gelukswensen en een laatste aanwijzing, zijn laatste vaderlijke raad, wijzend op de ruimte tussen twee auto’s op de eerste strook: ‘Jullie kunnen daar tussen.’ Ze reageren er alleen op door zijn advies te volgen. Ze giebelen. Op de stoep zijn de vriendinnen hem vergeten – eentje gilt: ‘Yes, daar gaan we!’ – maar zijn dochter zwaait nog een keer. Hij kust de vingertoppen van een hand, strekt zijn arm en maakt een soort knijpende bewegingen met zijn vingers, zoals je uitbeeldt dat iemand praatjes heeft. Zoals een onhandige jongen straks misschien de borst van zijn dochter beroert, maar die associatie dringt zich vast niet bij hem op.

Ik zie de meisjes niet weglopen, ik blijf naar de man kijken. Het cliché van de vader die zijn oogappeltje uitzwaait voor haar eerste zonvakantie zonder ouders, ik aanschouw het van dichtbij. Het verloopt helemaal zoals ik het zou verzinnen. De man blijft staan op de plek van het afscheid, bij de kofferbak, zijn handen in de zakken. Met een blik die vooral afwachtend is. Draait ze nog een keer om? Zwaait ze nog eens? Hij blijft ze maar nakijken, tot na de draaideur, waar ze even stilstaan, om zich heen kijken, en weg is ze. Toch wacht hij nog een paar seconden met omdraaien en weglopen. Het moment van instappen ontroert me, hoe hij bij het neerzakken nog even om zich heen kijkt, hoe vreselijk stil het daarbinnen ineens moet zijn na het dichtslaan van de autodeur.

Rustig draait de auto de enige vrije rijstrook op. Ik hoop voor de man dat hij niet te lang in de auto hoeft te zitten, overgeleverd aan zijn gedachten, en ik vraag me af wat er door mij heen zou gaan als ik net mijn dochter hier had afgezet. Maar dan zie ik mijn vrouw weer naar buiten komen, met in haar buik ons eerste kind. Een zoon, een jongen.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites