Ik deed de voordeur open voor een vrouwtje op een fiets. Met de punt van het zadel tegen haar kont vroeg ze naar mijn vrouw. Ze zei waar ze van was en wat ze kwam doen, een envelop ophalen. Ze probeerde langs me heen naar binnen te kijken, keek op haar horloge.

‘Envelop?’

Het vrouwtje zuchtte. Ik vermoedde dat dit niet het eerste adres was waar mensen zoals ik hadden opengedaan.

Ze zei nog een keer waar ze van was. Mijn vrouw had een brief ontvangen.

‘Welke brief?’

De vrouw blies lucht uit haar neus en kneep in de handvatten van haar stuur. ‘Uw vrouw weet dat wel.’

‘Maar die is er niet.’

‘Is ze er nooit?’

‘Pardon?’

‘Uw vrouw? Is ze er nooit?’

Ze was al vaker langs geweest, voor andere dingen, en nooit was mijn vrouw thuis.

‘Ze heeft het druk.’

‘We hebben het allemaal druk! Ik heb het ook druk!’

In de brief die mijn vrouw had ontvangen stond dat er maandagavond iemand langs zou komen voor de envelop. ‘Vanavond dus!’

‘Het is kwart voor zes, mevrouw. Misschien bent u te vroeg. Misschien is dat het.’

‘Ik heb ook nog andere dingen te doen,’ mompelde het vrouwtje. Ze keek zuchtend van me weg en tilde haar stuur omhoog, trok de fiets in de juiste richting. ‘Wanneer is ze er wel?’

‘Vanavond,’ zei ik. ‘Ergens vanavond.’

‘Ik kom niet nog een keer langs vanavond. Ik moet nog eten en na achten ga ik de deur niet meer uit.’

‘Oké.’

‘Is ze er morgenavond?’

‘U kunt het proberen.’

‘Dus ze is er morgenavond?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Ik kom alleen als ze er is.’

‘Ik zal het doorgeven.’

Ze ging op haar zadel zitten, een voet op de trapper. ‘Morgenavond ben ik weer, zeg dat maar.’ Zonder dag te zeggen fietste het vrouwtje weg.

‘Dag mevrouw,’ zei ik en deed de deur dicht.

Mijn vrouw kwam de trap af. ‘Wie was dat?’

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites