Om tien over half vijf liep ik de HEMA in voor een zwarte das. Amper door de schuifdeuren werd ik tegengehouden door een grote, brede kerel. Hij stond vlak voor me, snoof lucht in zijn borst en deed zijn armen over elkaar. ‘Wij zijn dicht.’

Ik deed een stapje naar achter. De schuifdeuren gingen weer open. Een koude windvlaag besprong me in de nek. Links klonk een ping en er schoot een kassa open. Achter de vrouw die nu geholpen werd, stond een medewerkster te wachten. De twee andere kassa’s waren gesloten.

‘Om zes uur toch pas? Dat stond op internet.’

Hij trok zijn schouders op en keek over me heen naar buiten. ‘Kan zo zijn. Toch zijn we dicht.’

‘Ik weet precies wat ik moet hebben en waar ik moet zijn.’ Ik stak mijn wijsvinger uit. ‘Daar. Bij de overhemden. Ik ben zo terug.’

De kerel keek op zijn horloge, toen naar buiten, weer op zijn horloge, naar mij, en weer op zijn horloge. Hij slaakte een diepe zucht. ‘Vooruit. Snel dan.’

Hij bleef gewoon staan, terwijl ik langs hem heen snelde. Toen ik even inhield om me te oriënteren, riep hij achter me aan: ‘Wel opschieten. Wij willen ook feestvieren.’

Ik trok de enige zwarte das die ik zag van de hanger en maakte rechtsomkeert, naar de kassa. Het meisje dat net stond te wachten was nu aan de beurt. Achter haar sloten twee andere medewerksters aan. De kerel stond met de handen in zijn zakken te praten met een jonge medewerker, die zijn jas al aanhad. Tegen een van de gesloten kassabalies leunde een medewerkster, met een lolly in haar mond. Met haar collega’s in de rij sprak ze over het feest waar ze naartoe ging.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites