Je zit naast de bestuurder en tuurt vanonder de klep van je pet opzij naar fabrieken en weilanden en omgeploegde akkers, naar grijze loodsen, schreeuwerige letters, dikke witte koeien, opgedroogde brokken aarde. Je kijkt niet de hele tijd, want het licht komt van alle kanten en is scherp, doet pijn aan je ogen, achter je ogen. Je ligt zo ver mogelijk onderuit en doet je ogen dicht, trekt je pet nog verder naar beneden en zoekt naar het juiste tempo om jezelf in slaap te ademen. Er wordt iets tegen je gezegd en je doet één oog open en kijkt voor je uit, hoopt dat je wakker bent gemaakt, maar de grote witte pijlen op het asfalt wijzen je op het feit dat je nog in België bent en op het bord dat uit beeld schiet, kun je net, met dat ene oog, zien dat de grens nog ver is. Bij het sluiten van je ogen hossen de lichtvlekken door elkaar heen en je bent weer op het feest, tussen onbekende gezichten, en je droge mond en de metalige smaak brengen je terug naar de dorst die je had, het gemak waarmee je de glazen Cristal naar binnen klokte, en dan zie je het zware biertje staan dat je in de keuken dronk voor het slapengaan, waar je na twee slokken genoeg van had. Het volgende moment wordt er op de deur van de slaapkamer geklopt door je zwager, met zijn asgrauwe gezicht, die op tijd thuis moet zijn vanwege een belangrijke wedstrijd. Dan denk je aan hoe snel de heenweg was verlopen en je luistert naar de banden op het asfalt, de wind langs de ramen, de stem van een Engelse cabaretier, het gegrinnik om je heen, en tussendoor hoor je de bestuurder puffen en je bent blij dat jij vanmiddag geen belangrijke wedstrijd hoeft te spelen, dat je thuis meteen je nest in kan duiken  om de rest van deze dag over te slaan.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites