Gisteravond was ‘Nummer 14: Johan Cruijff’ op tv, een documentaire van bijna veertig jaar geleden. Als kind kon ik de film met mijn ogen dicht helemaal afspelen, zo vaak had ik de videoband gezien. ‘s Avonds in bed speelde ik zelf de hoofdrol, niet gehinderd door enige zelfkennis. Dan liep ik door mijn eigen buurt om handen te schudden en herinneringen op te halen. Een jasje nonchalant over mijn schouder.

Met op de achtergrond die heerlijke achtergrondmuziek (Chanson Pour Milan, door Tonny Eyk) laat ik de filmcrew zien waar het allemaal begon, op het trapveldje achter de speeltuin. Buurtjongens van jaren ouder vertellen hoe gek ze ervan werden dat ik ze altijd maar door de benen speelden. Hoe irritant ongrijpbaar dat kleine ventje was. Mensen in de flat naast het veldje gingen er goed voor zitten als ze mij mee zagen doen. Zo eentje hebben ze hier nooit meer gezien. Komt er ook nooit meer. Aan de andere kant van het veldje staat een school, waar we gingen ‘elven’ als er niet genoeg mensen waren voor een partijtje, met de brede klapdeuren van gewapend glas als goal. De hoofdmeester weet nog goed hoe vaak hij ons wegstuurde, en hoe boos hij werd als er weer iemand het dak op ging om de bal te pakken. Mijn vriendjes en ik zaten zelf op de andere basisschool in het dorp en het kon ons niet schelen wat die man allemaal zei. Hij was van de vijand. We hadden altijd ruzie met kinderen van die school. Wij voelden ons superieur omdat onze school veel groter was. En dat trapveldje was van ons, ook al grensde het aan hun school. Veel van die andere kinderen woonden niet eens in de buurt. Oprotten dus. Ons veld. Ja, we weten het nog goed. Lachen. Mooie tijden.

De film was rond middernacht afgelopen, maar ik viel pas een uur later in slaap.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites