We waren druk in gesprek toen het eten werd geserveerd. We stopten met praten, zeiden dank je wel, en praatten verder. Ik greep mijn bord vast met de duim en wijsvinger van mijn rechterhand en hoorde gesis, maar dat geluid kwam waarschijnlijk uit mijn mond. Het leek wel of mijn wijsvinger aan het bord bleef plakken. Ik wapperde met mijn hand. ‘Godver’, zei ik. ‘Dat bord’. Ik drukte mijn duim tegen de brandwond. Het hielp niet tegen de helse pijn. Ik drukte mijn vinger tegen het glas water. Dat hielp maar even. Ik liet het glas los en vlak voor de vinger het water zou raken, zei mijn vrouw: ‘Rick! Dat kan niet. Vraag om ijs.’

‘Ik voel me dom,’ zei ik.

‘Waarom?’ vroeg ze.

‘Ik pak een bord vast waar ze expres nog een bord onder hebben gedaan. Jezus.’

‘Hij zei helemaal niets toen hij die borden neerzette.’

‘Nee, dat is zo, hij zei niets toch?’

‘En wij waren druk aan het praten.’

‘Ja, toch?’

‘Het is hun fout. Maak je niet druk.’

Ik wenkte onze kelner. Na een kort knikje, alsof niemand het mocht zien, kwam hij onze kant op. Ik drukte mijn vinger weer tegen het glas. Nu hielp het niets.

De kelner vroeg of alles naar wens was.

‘Ik heb mijn vinger gebrand’, zei ik en wees naar het bord. Toen liet ik het glas weer los om mijn vinger te laten zien. Je kunt niet duidelijk genoeg zijn. Hoewel er nog weinig van de brandwond te zien was.

‘Dat bord is gloeiend heet’, zei de kelner, zonder naar mijn vinger of naar het bord te kijken.

‘Dat weet ik inmiddels’, zei ik. ‘Daarom heb ik nu ijs nodig.’

‘Normaal zeggen we er altijd bij dat het bord heet is’, mompelde de kelner en hij draaide zich om. ‘IJs,’ zei hij tegen zichzelf en liep naar de keuken. Mijn vinger brandde als de hel. Er glom al een wit blaasje aan de binnenkant.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites