Voor vijftig euro konden we terecht in een leuk hotelletje midden in het centrum van Blois, een middelgrote stad aan de Loire, uurtje of twee onder Parijs. Het hoogseizoen was net begonnen, het was druk in de stad en de avond was al aangebroken. Vijftig euro voor een kamer in het centrum leek een prima deal. Maar dit hotelletje was pas het eerste waar we binnen waren gestapt. Dat kan goedkoper, dacht ik. De Ibis om de hoek bijvoorbeeld. Ik vroeg aan de receptioniste of ze de kamer een kwartiertje voor ons kon vasthouden. De geheimzinnigheid waarmee ik dat verzoek motiveerde – ‘I have to do something’ – was beschamend doorzichtig. Mijn vrouw stond schuin achter me en keek de andere kant op. ‘Wat doe je?’ zei ze zacht.

In de Ibis kostte een kamer tachtig euro. Mijn vrouw zuchtte. Ik lachte de receptionist met een minzame glimlach uit, als iemand die precies weet hoe de markt in elkaar zit. Ik vertelde hem dat hij nog veel kamers over moest hebben, dat kon niet anders, er hingen nog zoveel sleutels achter hem. Dus er moest wat mogelijk zijn. Ik deelde hem mee dat wij voor veertig euro bereid waren een kamer te nemen.

In de stilte die viel keek ik naar een diepe frons van onbegrip.

‘Pour quarante euro,’ zei ik. ‘Une chambre pour quarante euro.’

Misschien lag het aan mijn uitspraak, maar de diepe frons van onbegrip bleef intact. Na een vluchtige blik op mijn vrouw, die net deed of ze druk met haar telefoon in de weer was, keek hij over zijn schouder naar de prijslijst aan de muur, alsof hij zelf iets over het hoofd had gezien.

Met zichtbare opluchting glimlachte hij me arrogant toe. Vingertje erbij.

‘Non, non, quatre-vingts!’ Hij draaide zich half om en strekte zijn arm zodat hij naar de prijs kon wijzen die op ons van toepassing was. ‘Eighty euro’s. Look.’ Alsof ik geen enkele taal machtig was, verduidelijkte hij zijn woorden door acht vingers op te steken, gevolgd door een met duim en wijsvinger gevormd rondje.

Ik legde me erbij neer en wendde me tot mijn vrouw. Zij stond al met haar rug naar me toe in de deuropening.

‘Kom, we gaan,’ zei ik op een toon alsof mij het grootst mogelijke onrecht was aangedaan. ‘Wat een eikel,’ en we liepen terug naar het eerste hotel, waar we nog steeds terecht konden voor vijftig euro.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites