In de laatste droom van vannacht ging het over schrijven. Ik zat in een kroeg waar ik nooit was geweest, maar die vertrouwd aanvoelde. Het was donker en druk en we stonden bij een klein tafeltje waar mensen aan zaten die we niet kenden, maar die ons steeds aanspraken alsof dat wel zo was. Ik kreeg een duwtje en behield met een hand op het tafeltje mijn evenwicht. Er prikte iets in mijn wijsvinger, aan de duimkant, vlak onder de knokkel. Het werd al snel een wondje, maar het deed geen pijn, het jeukte. Ondertussen luisterde ik naar een persoon zonder gezicht en met een onherkenbare mannenstem. Die zei veel wijze dingen over schrijven en ik deed mijn best alles te onthouden. Op een gegeven moment zei de wijze iets waarvan ik wist dat het zijn belangrijkste advies was. Maar, afgeleid door een bekende die me begroette en de jeuk op mijn vinger die steeds erger werd, begreep ik niet wat hij bedoelde en toen hij even weg was, vroeg ik aan de twee schrijvers die opeens tegenover me zaten, en die ik wel van gezicht kende maar nooit had ontmoet, of zij het wel hadden begrepen. De twee keken elkaar aan, knikten en richtten zich toen weer tot mij. ‘Ik wel,’ zei de een. ‘Ik ook,’ zei de ander. ‘Wat dan?’ vroeg ik. ‘Dat is moeilijk uit te leggen,’ zei de eerste, gevolgd door die ander: ‘Had je beter op moeten letten,’  Toen werd ik wakker, krabbend aan de muggenbult op mijn vinger, peinzend over wat me was verteld. Ik probeerde die ene wijsheid alsnog te ontrafelen, maar de woorden ontglipten me een voor een en bij het opstaan stond ik met lege handen.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites