Vandaag ga ik voor het eerst echt naar Londen. Twee jaar geleden heb ik bijna tien uur doorgebracht op Heathrow, een tussenstop die langer duurde dan de vlucht vanuit New York. De ellende begon toen we niet in de ene vertrekhal mochten blijven en naar de speciaal daarvoor aangewezen ‘wachtterminal’ moesten verhuizen. Bij die overtocht moest ik de fles whisky inleveren die we achter de douane op Newark Airport hadden gekocht. Het enige voordeel van de inbeslagname was de tijdsbesteding; we werden van het kastje naar de muur gestuurd en overal discussieerde ik over de onredelijkheid van de inbeslagname. Uiteindelijk kreeg ik het voor elkaar dat de fles in een kantoortje werd bewaard tot we zouden vertrekken.
Als ik met alles zo onverzettelijk was, zou ik niet iemand zijn die uren moet wachten op een aansluitende vlucht, midden in de nacht.
Tot de volgende ochtend zaten we als asielzoekers gevangen in de wachtterminal, op zo’n harde bank, met van dat koude metaal tussen de zitjes. De drink- en snackautomaten slikten alleen biljetten in, ponden, maar nergens in die terminal kon je pinnen. We hadden ook geen eten en drinken in onze handbagage meegenomen en zo waren het hele lange uren, met een droge mond en rommelende maag. We probeerden te slapen, maar mijn vriendin had last van een blaasontsteking en om ons heen werd hard gesnurkt. De relaxstoelen waren bezet door kinderen. Het was koud. Een jongen en meisje van een jaar twintig graaiden in een zak chips, ze lachten en stoeiden, dronken uit pakjes. Ik smachtte naar de whisky en hoopte dat ik de fles mee zou krijgen.
Als ik me komend weekend ergens geen zorgen over hoef te maken, is het drank, eten en een warme slaapplek. Mijn kamergenoot snurkt wel heel erg.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites