Het blonde meisje in de oude Renault liet ons niet invoegen. Ze trapte het gas in, terwijl wij al naar rechts uitweken. Mijn vriendin moest het stuur snel wegdraaien om de Renault niet te raken. Dus ze toeterde. Het meisje in de Renault keek niet opzij, ze stak wel haar middelvinger op.

‘Wat een klerewijf!’ Mijn vriendin zwaaide meteen met een middelvinger terug. ‘Die is vast bang dat ze haar pappie kwijtraakt,’ zei ik, wijzend op de grote Landrover waar de oude Renault vlak achter zat. We reden over de lange weg, waarop je niet kunt inhalen, tussen de snelweg en ons dorp en maakten grappen over wat er zou  gebeuren als ze haar pappie zou kwijtraken, over waar ze dan verzeild zou raken, en bij wie. Hoe ze hem zou bellen, helemaal hysterisch.

Bij het stoplicht, kilometers verderop, hadden we het er al niet meer over. Net als de Landrover en de Renault sloegen we linksaf om bij de eerste rotonde meteen rechtsaf te slaan, de heuvel op, richting nog een rotonde. In de honderd meter tussen die twee verkeerspleintjes kun je niet draaien omdat de berm tussen de twee rijbanen te hoog is.  De Landrover stopte. Gevarenlichten knipten aan.

‘Jezus,’ zei ik. ‘Weer zo’n…’

Uit de Landrover stapte een grote donkere man met enorme rastavlechten, samengebonden in een dikke staart die tussen zijn schouderbladen slingerde.  Hij trok het leren vestje strak waarop Maluku stond:. Hij droeg ook een leren motorbroek en een grote zonnebril. Met grote stappen kwam hij dichterbij. Het meisje bleef zitten. Mijn vriendin vergrendelde de auto van binnen.

‘Dit is niet haar pappie,’ zei ze.

‘Nu zijn we er geweest,’ dacht ik. Ik zei: ‘Laat hem maar komen ook.’

De Molukker boog voorover en tikte met een ring tegen het raampje.

Zij opende het raampje, een centimeter of twee.

‘Moet ik soms je vinger breken?’ Zijn stem was zacht, een beetje hoog. En hij had slotjes.

‘Míjn vinger?’ zei zij, rustig, en wees naar de Renault. ‘Vraag dat eerst maar aan haar.’ Ze reconstrueerde heel precies wat er zich bij het invoegen had afgespeeld en ik voegde daar op de juiste momenten iets aan toe, hij kwam er domweg niet tussen. Ze sloot af met de woorden: ‘Dus zo zit het’, en deed haar raampje weer dicht. Zijn neus zat er bijna tussen. Hij schudde zijn hoofd, duwde met een platte hand tegen het raam en schoof zijn zonnebril af. Ik zag geen flintertje wit in zijn ogen.

‘Wat doe je nou?’ fluisterde ik.

‘Ik was hem zat.’

Op dat moment verscheen er een auto achter ons. Hij zag het ook, trok zijn hand weg van het glas, schoof de zonnebril terug en tikte keihard met zijn ring tegen het raam. Heel kalm liep hij terug naar zijn Landrover, alsof hij ons net de weg had gevraagd.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites