Onrustig over van alles en nog wat maakte ik na de lunch een ommetje. Ik stak de straat over terwijl de voetgangerslichten nog op rood stonden, liep tot het einde van de winkelstraat, en sloeg rechtsaf, richting de dorpsstraat. Het maalde en het maalde en ik deed mijn best om niet te snel te lopen.

Eenmaal in de dorpsstraat zag ik dat het markt was en ik wilde de eerstvolgende zijstraat nemen, tot ik op een meter of tien van het eerste kraampje stond, waar de verkoopster en een oudere dame met elkaar over de producten spraken, heel onspannen, zonder haast. Ik hoorde zachte woorden als cranberry en pistache en de verkoopster boog voorover om iets te pakken. Vlak achter de verkoopster leunde een vrouw met haar ogen dicht tegen een muur, de zon scheen vol op haar gezicht. Van dit alles werd ik heel rustig en ik stond er een tijdje naar te kijken, gewoon daar midden op straat.

Toen liep ik naar de kraam toe waar ik met de handen in mijn zakken keek naar wat er zoal lag uitgestald. De verkoopster zei de andere vrouw gedag en groette me, vroeg of ze mij ergens mee kon helpen, of wilde ik gewoon even kijken? Heel vriendelijk allemaal. Ik zei dat ik gewoon wat wilde kijken en de verkoopster liet me met rust, bijna verontschuldigend, en knoopte een praatje aan met de vrouw in de zon, over de zon.

Hoewel het ook echt zo was dat ik gewoon wat wilde kijken, voelde ik me een imbeciel. Maar ik voelde me vooral nog rustiger worden bij het kijken naar al die potjes honing, flessen olijfolie en zakjes noten. Naar die bakken met zeker zes soorten glimmende olijven, en naar allerlei producten waarvan ik de namen niet zou onthouden. Ik snapte niet echt wat er met me aan de hand was, ik ben geen fijnproever en koken doe ik nooit, maar ik kon blijven kijken naar wat er allemaal voor me lag, zelfs naar die stomme soepstengels. Ik kreeg er ook geen honger van of zo, ik kon hier gewoon de hele middag blijven staan en kijken. Alleen begon ik me op een zeker moment ongemakkelijk te voelen, het leek me ongepast hier nog langer te staan zonder iets te kopen. Als ik mijn portemonnee niet op mijn bureau had laten liggen, had ik ook zeker iets gekocht, waarschijnlijk ook zomaar wat. Maar ik liep dus weg van het kraampje en ging de zijstraat in om alsnog de rest van de markt te mijden. Het gevoel van die kraam probeerde ik zo lang mogelijk vast te houden. Dat lukte tot ik het pand in zicht kreeg waar ik de rest van de middag moest doorbrengen. Ik begon sneller te lopen, en stak de straat over terwijl de voetgangerslichten nog op rood stonden.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites