Het broertje van een vriend loopt voorbij en ik kan het niet laten hem te vragen naar wat hem een paar maanden geleden is overkomen. Van de vriend hoorde ik laatst dat hij flink te pakken was genomen door een stel kampers en de nacht in het ziekenhuis had doorgebracht.

Op het podium aan de andere kant van het plein speelt een grote band alleen maar vrolijke liedjes. Ik geef hem een van de biertjes die me vanuit de menigte wordt aangereikt en niet gehinderd door het besef dat hij misschien helemaal geen zin heeft om erover te praten, vraag ik hem wat er nou precies was gebeurd. Het is geen probleem dat ik ernaar vraag, maar – hij lacht – eerst even een flinke slok nemen. In die pauze flitsen beelden voorbij van de nacht dat ik zelf flink te grazen werd genomen, lang geleden. Ik voel daar niets bij, ik kan me ook niet herinneren hoe het voelde, of het pijn deed. Gelukkig was ik dronken.

Hij liep die nacht na het stappen door de Haarlemmerstraat, samen met de broer van een vriend. Vanuit een steeg verschenen enkele kerels die hij niet kende, maar de grootste van het stel rende op hem af en stompte hem zomaar op zijn gezicht. Het volgende moment lag hij op de grond en helemaal beduusd zag hij de broer van zijn vriend rennen voor zijn leven. Hij beschermde zijn gezicht en spartelde, verzamelde alle kracht in zijn lijf om ook weg te komen. Na een dozijn klappen en schoppen lukte het hem zichzelf te bevrijden en hij vluchtte in de richting vanwaar hij gekomen was, maar uit twee steegjes, op enkele tientallen meters, verschenen nog meer kampers die allemaal naar hem wezen en riepen. Hij dook het licht van de nacht in, bij een shoarmazaak naar binnen. Daar sprong hij achter de toonbank, maar binnen luttele seconden lag hij ook daar in foetushouding op de grond, de schoppen en klappen opvangend. Een orkaan van schoppen en klappen.

‘Het is hem niet,’ hoorde hij opeens een meisje roepen. Ze stopten meteen met schoppen en slaan. Door het gesuis en gebonk in zijn kop heen hoorde hij ze de zaak verlaten. Hij hoorde ze buiten schreeuwen en lachen, tegen rolluiken trappen, afstand nemen, maar hij bleef nog een tijdje zo liggen, tot de geluiden helemaal waren weggestorven. Eenmaal overeind zag hij in de hoek een jongen op de grond tegen de muur zitten. Op het tafeltje voor hem lag een half broodje shoarma. ‘Die jongen schijnt nog steeds bij Slachtofferhulp te lopen,’ zegt hij, zijn wenkbrauwen optrekkend. ‘En die shoarmaboer is met zijn zaak gestopt. Zo erg was hij geschrokken.’

Hij gaat op zijn tenen staan en kijkt naar de plek waar hij naar op weg was voor ik hem staande hield. In één grote slok drinkt hij zijn glas leeg om het vervolgens te laten vallen op het tapijt aan platgetrapte bekers. ‘En jij?’ vraag ik, terwijl er twee nieuwe biertjes in mijn handen worden gedrukt. ‘Hoe gaat het nu met jou?’ Hij glimlacht breeduit en tikt met zijn pink op de hoek van een tand, die van kleur heel licht verschilt van de rest. ‘Stuk tand eraf. Verder niets aan overgehouden hoor.’

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites