Ik liep door de dorpsstraat, langs een pad waar een auto met aanhanger stond, op een meter of vijftig van mij vandaan. In de aanhanger lagen grijze palen, ernaast stonden twee mannen in bedrijfskleding. De man die het verst bij mij vandaan stond riep iets in de richting van de opening tussen twee huizen, naar iemand die ik niet kon zien. Er werd iets teruggeroepen, waarop de man die het dichtst bij mij stond keihard ‘godverdomme!’ schreeuwde en een van de palen pakte. Hij sloeg er mee op de stalen rand van de aanhanger, twee keer, en mijn hart sloeg over van dit geluid – staal op staal – dat weerkaatste tegen muren en in de lucht ertussen bleef hangen. Ik durfde niet meer die kant op te kijken, wandelde verder alsof ik niets had gezien en gehoord.

In de volgende zijstraat stonden twee oude mannetjes met elkaar te praten, er kwam een vrouw uit een winkeltje, een aangelijnde hond dribbelde de hoek om. Verder was er niets te zien. Geluiden verstomden snel. Ik had zin om op het bankje te zitten vanwaar je op dit straatje uitkijkt, maar als ik vandaag op tijd van kantoor weg wilde, moest er nu echt een einde aan dit ommetje komen.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites