Mijn buurman stond voorover en soms verdween hij uit het zicht. Dan zakten zijn gekromde rug en oranje stekeltjes achter de rugleuning van de bank. Ik lag een tijdschrift te lezen, met op de achtergrond de geluidloze televisie, en wachtte tot The Simpsons begon.

Ik had het vermoeden dat de buurman iets aan het doen was waarbij ik eigenlijk zou moeten helpen en ging op mijn zij liggen, zodat het leek of ik niets doorhad, mocht hij naar binnen kijken, wat hij nooit zou doen. Ik dacht aan hoe hij ons vaker te hulp was geschoten bij klusjes waar wij zelf niet aan dachten. Het uitbaggeren van de dakgoot, wegschuiven van sneeuw voor ons huis en portiek, het ophogen van de zijschutting zodat we niet tegen de achterkant van zijn nieuwe schuurtje hoeven aan te kijken.

Net toen ik besloot toch maar even naar buiten te gaan, werd er op het raam geklopt en hoorde ik de stem van mijn vrouw. Ze had grote tassen bij zich en tijdens het praten met de buurman drukte ze op de deurbel.

Ze lachte en knikte opzij: Kijk eens wie er voor je aan het werk is.

Zonder op te kijken, zei de buurman: Ik was toch bezig, buur.

Ik wilde de tassen van haar overnemen, maar dat hoefde niet. Ze knikte weer opzij, zeulde haar tassen naar binnen en kwam niet meer terug. Op mijn sokken en met de handen in mijn zij stond ik even te kijken naar hoe de buurman droge plukjes onkruid tussen de klinkers vandaan trok. Hij had zijn werkkleren nog aan. Het zweet stond in zijn rode nek.

Dank je, zei ik. Maar dit hoef je toch niet te doen.

Hij legde uit waarom het voor hem handig was om meteen mijn onkruid weg te halen. Iets over dat het via een bocht bij hem voor de deur waaide en dat de kinderen de rotzooi dan mee naar binnen liepen. Ik snapte weinig van het verhaal met die bocht, maar voelde me wel schuldig.

Is dat zo? vroeg ik maar. Nooit bij stilgestaan.

O, dat hoeft ook helemaal, buur.

Nog niet zo lang geleden had hij chloor over de stenen gegooid, maar het bleef maar terugkomen. Hij herhaalde nog een keer dat het onkruid bij hem voor deur waaide en de kinderen het naar binnen liepen.

Inmiddels zat ik op mijn hurken. Ik trok plukjes weg binnen mijn bereik, maar beperkte me tot de plukjes die je goed met twee vingers kan vastpakken om ze met wortel en al uit de grond te trekken. Maar toen ik net bezig was, stond de buurman het straatgras alweer bij elkaar te vegen. De harde borstelharen wierpen wolken stof op. Toen hij alles bij elkaar had geveegd en stoffer en blik erbij pakte, stond ik op om het plastic zakje, dat al bijna vol zat, open te houden. Nadat hij het onkruid erin had laten glijden, knoopte ik het plastic zakje dicht, bedankte hem voor de derde of vierde keer, en zei dat ik het zakje wel zou weggooien. Alsof ik daarmee eindelijk iets voor hem terugdeed.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites