Op de finaledag bij een club in de buurt maakte ik een obligaat praatje met een oudere vrouw die ik kende van vroeger, van de club waar ik als tiener tenniste. Haar man stond ernaast en was met iemand anders in gesprek. Ondertussen waggelde vanuit het clubhuis de kleine, potige zestiger naar buiten die ik herkende als de vent die mij eens op mijn bek had geslagen, omdat ik het lage gaasdeurtje op baan 2 niet achter me had dichtgedaan toen ik even van de baan ging om een bal te pakken. Met in zijn handen drie flesjes bier en een witte wijn kwam hij bij ons staan, verdeelde de drankjes. Bij zijn eerste slok draaide hij naar me toe en schoof zijn zonnebril omhoog. ‘Kijk nou,’ lachte hij en gaf een harde klap tegen mijn schouder. ‘Van Leeuwen toch?’ Ik knikte en keek naar zijn eeltige handen, de worstvingers. Hij stond tussen mij en de vrouw in en gaf haar een elleboogje. Met de pink van zijn andere hand wees hij mij aan. ‘Ik heb zijn wel eens een pak slaag gegeven,’ zei hij trots, alsof het om tennis ging. ‘Weet je dat nog?’ vroeg hij me, met een vinnig kinknikje.

‘Zeker.’

‘Hoe lang is dat alweer geleden?’

‘Ik was een jaar of dertien,’ zei ik en hield een vlakke hand ter hoogte van mijn borst. ‘Zo groot ongeveer.’

‘Kan wel, ja. Kan wel.’ Hij greep de zonnebril van zijn hoofd en stak een van de pootjes in zijn mondhoek. ‘Je bent wel veranderd, zeg. Ik herkende je bijna niet.’

‘Ik u wel meteen, hoor.’ Hij was alleen grijzer geworden. Verder zag hij er precies hetzelfde uit, een klein en potig mannetje.

‘Tegen mijn hoef je geen u te zeggen joh.’ Weer een harde klap op mijn schouder. ‘Wij kennen elkaar al zo lang.’ Hoofdschuddend keek hij opzij, oogcontact zoekend met de vrouw, die een beetje ongemakkelijk in het rond keek. Hij richtte zich weer tot mij en lachte. ‘God, dat ik jou nog op je bek heb geslagen.’

‘Lang geleden,’ zei ik op de toon die eigenlijk hoort bij een gemeenschappelijke, aangename herinnering. Hij keek naar zijn lege bierflesje en toen naar mij. Ik vroeg me af of ik een biertje van hem zou aannemen, zelfs als hij het me aanbood ter verontschuldiging. Het excuus zelf zou ik wel aanvaarden, daar ging ik niet moeilijk over doen. Toch aarzelde ik geen moment toen hij me inderdaad vroeg of ik een biertje van hem wilde. Voor hij terug naar bar ging, keek hij me nog even aan. ‘Ja,’ zei hij, na een korte stilte, het lege flesje als een pistool op me gericht. ‘Jij was vroeger echt een pestventje.’

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites