De eerste herfstdag van dit jaar leverde een heerlijke nazomeravond op. Warm en windstil. Een vooravond waarop een mooiweerfietser zoals ik de bank verruilt voor het zadel om zijn hoofd vrij te maken na een onrustige werkdag, om na te denken over een dezelfde avond te schrijven scène. En om in december het trouwpak aan te kunnen dat hij maanden geleden heeft gepast.

Ik fietste naar de Katwijkse boulevard, waar ik bij de fietsenmaker mijn halfzachte banden wilde laten oppompen. Maar de laatste honderd meter naar de fietsenmaker was de weg compleet opgebroken en afgezet door hekken. Alleen links, over de stoep – een smal pad tussen muren en hekken – kon ik erlangs. Bijna op wandeltempo reed ik de stoep op, maar wel net iets sneller dan de man die enkele meters voor me liep, en het was nog een behoorlijk stuk tot het einde van dit pad, dus ik belde. Een halve stap opzij zou genoeg zijn. De man, ongeveer van mijn leeftijd, keek kort over zijn schouder en liep gewoon door, nog iets langzamer dan daarnet. Ik belde nog een keer en zei: sorry, mag ik er even langs, maar hij reageerde niet. Ik wurmde me naast hem en vroeg rustig waarom hij niet even opzij kon stappen, hij had me toch horen bellen.

Dit is een stoep, geen fietspad. Sukkel, zei hij erachteraan, met stemverheffing. Ik stapte meteen van mijn fiets en zei dat ik alleen via de stoep deze kant op kon. We stonden echt vlak bij elkaar en ik kon hem zo een duw geven, een klap. Het beangstigde me dat ik hem zo graag pijn wilde doen en daarom liep ik met de fiets aan mijn hand door. Maar ik bleef hem aankijken en de woordenwisseling hield aan, nam in volume toe, werd nauwlettend gevolgd door groepje mannen in de portiek tussen ons in. Hij bleef staan bij het groepje en bleef maar van die stompzinnige dingen zeggen, aangevuld met verwensingen. Die stoïcijnse harses van ‘m, vol onbegrip, en dat schelle stemmetje. Ik trilde van woede en terwijl ik nu echt tegen hem schreeuwde, werd ik bevangen door schaamte. Niet door wat ik zei, maar gewoon omdat ik hier op straat stond te schreeuwen, aandeel had in een ordinair bekgevecht. Ik maakte een wegwerpgebaar en stapte weer op mijn fiets, reed de hoek om.

In de fietswinkel zei ik opgewekter dan normaal goedendag, alsof ik aan deze mensen moest bewijzen dat ik helemaal niet zo’n slechte kerel ben. Met lekkere harde banden knalde ik vervolgens over de boulevard, langs de camping, door de duinen, naar Wassenaar, Scheveningen. Met de zon vol op mijn kale kop zat ik het hele stuk op het puntje van mijn zadel. Armen in het ligstuur, voorvoeten op de pedalen. Spanning op mijn bovenbenen, maar geen verzuring, ik bleef maar crossen. Ik hoefde niet eens te doen alsof ik solo op een finish afstevende, alsof ik een grote renner in een grote koers was. Rijwindtranen prikten in mijn ooghoeken, droogden op mijn gloeiende wangen. Vlekken op mijn zonnebril. Ik bleef dat bleke gezicht van die vent maar voor me zien, die onnozele blik vol onbegrip.

Niet een keer werd ik ingehaald en als ik belde ging iedereen meteen opzij, zonder om te kijken. Ik stampte maar door, voelde me loeisterk. Pas op een duintop ergens voor Meijendel dronk ik voor het eerst uit mijn bidon, water vermengd met een beetje frambozenlimonade. Even later doemde het venijnige klimmetje op waar ik altijd mijn cadans kwijtraak. In de eerste bocht ging vals plat over in de helling, maar ik schakelde niet terug, richtte me op een hardloper links voor me, op het voetpad van schelpen. Pas als ik hem gepasseerd was, mocht ik terugschakelen. Uiteindelijk waren we tegelijk boven en nu had terugschakelen geen zin meer. Nog altijd waren mijn benen niet verzuurd, maar wel aardig volgelopen. Ik liet mijn handen los van het stuur, rechtte mijn rug en liet me naar beneden rollen. Mijn nek deed zeer, de bovenkant van mijn schouders voelden verkrampt aan. Toch, of juist daarom, lag ik al snel weer in de houding en in de zwaarste versnelling trapte ik door de flauwe bochten. Ik tikte de vijftig aan. Harder, harder moet je. Op het vlakke schakelde ik niet terug en ik probeerde mijn bovenlichaam netjes stil te houden. Mensen op bankjes keken zwijgend naar me. Een groepje duiven stoof uiteen. Onder mijn wielen kraakten bladeren, knapten takjes.

De watertoren aan het einde van het duingebied doemde op en het leek of iemand een knietje gaf op mijn grote dijbeenspieren. Bij iedere trap opnieuw. Na een paar honderd meter kon ik de pijn niet meer verbijten. Ik schakelde terug, twee tandjes, en schudde mijn benen los. Met de handen op het stuur fietste ik uit tot de watertoren, waar ik omdraaide en meteen aan de terugweg begon.

Langzaam stierf de pijn in mijn dijen weg en vrij snel kon ik weer vol gas gaan. Voor ik erg in had reed ik mijn straat in. Ik stond op de pedalen en strekte mijn benen, besefte dat ik niet toe was gekomen aan het uitdenken van de scène voor die avond. Wat dit rondje uiteindelijk wel opleverde: een voldaan gevoel, dit stukje en een nieuwe vijand, die ik waarschijnlijk nooit meer tegenkom. En als dat wel gebeurt, zullen we elkaar niet herkennen.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites