Mijn vader en ik voeren in zijn sloep door een zijkanaal, richting het meer. We zaten naast elkaar op het bankje achterin en mijn vader zorgde dat we kaarsrecht vooruit bleven gaan, met zijn wijsvinger onder in het stuur. We spraken vooral over wat mij bezighield en af en toe helde ik opzij om het koele water langs mijn vingers te voelen stromen. Het was een hele zachte avond, er stond geen zuchtje wind en zelfs nu de zon achter huizen en bomen was verdwenen bleef het aangenaam.

De omkaste motor voor ons bromde zachtjes en langzaam gleden we vooruit. We zwaaiden naar wie we passeerden en remden af, zo ver dat kon, voor vissers. Bijten ze een beetje? vroeg mijn vader steeds, en telkens dacht ik: wat kan jou dat schelen? Maar ik liet het maar, want dat praatje, in de luttele seconden dat de oude visser en oude schipper zich verstaanbaar kunnen maken zonder te hoeven schreeuwen, had ook iets aandoenlijks en intiems. Iets waar je als zoon niet tussen wilt komen.

Halverwege het kanaaltje hoorden we geronk aanzwellen, het geluid overspoelde ons van achteren.  Nog voor we over onze schouder konden kijken, zat ik bijna op mijn vaders schoot, en hij een tel later op de mijne. Een wat roestig bootje met een buitenboordmotor haalde ons in. De voorkant stond zo ver omhoog dat de mooie blonde vrouw aan het roer erlangs moest kijken om koers te houden. Zij lachte en zwaaide naar ons, op een sympathieke manier, net als de kerel naast haar. Ze lachten en zwaaiden echt om te groeten, niet om te kleineren, en wij lachten en zwaaiden terug. Een meter of honderd nadat ze ons waren gepasseerd, viel de voorkant weer terug in het water en stierf het harde geronk weg. De man nam het roer over.

Mijn vader zei dat hij de drang om even door te trekken helemaal begreep, maar dat het hier werkelijk krioelde van de waterpolitie, verscholen in het hoge riet, en dat je beter moest weten. En de boetes waren fors. Hij had dat nog niet gezegd of de sloep deinde op de golven van een politieboot, het blauwe sirenelicht vloekte met de kleuren die hier thuishoorden. Even later passeerden wij de twee boten, die helemaal stil bleven liggen. Een van de agenten stond boven op de politieboot een bon uit te schrijven, alsof hij gewoon op straat stond. De andere agent sprak met de man en dat ging er rustig aan toe. De vrouw keek naar ons en zwaaide en lachte weer, nog sympathieker dan daarnet.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites