Tijdens een lange rit over de snelweg, in mooi weer, mijmer ik over de autoreizen van vroeger, naar Frankrijk. Niet zozeer over de clichés die zich opdringen (zonnebloemen, hooibalen, dorpjes tegen hellingen), maar meer over hoe ik in die auto zat. Altijd links, samengeperst tussen het portier en de berg rotzooi tussen mij en mijn broertje in – we moesten onze riemen losdoen om op elkaar in te kunnen beuken. Ik zie mijn vaders handen op het stuur, mijn moeder die appels schilt en snijdt en de stukken tussen ons verdeelt, mijn broertje en ik die dan telkens het stuk van de ander proberen te pakken. 

Eenmaal op de plaats van bestemming schrijf ik dit in de auto, met de hand. Het raampje staat open, maar het wordt steeds warmer omdat ik geparkeerd sta in de zon. Ergens in de polder, op een industrieterrein, achter een gebouw waar ik nu een afspraak heb, over hele serieuze zaken. De appel die de hele rit in de tas naast me heeft gelegen, is plakkerig en beurs.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites