De man snoeit de heg, de vrouw veegt de bladeren bij elkaar. Het is voor haar een klusje wat ze tussendoor kan; ze pakt een stapeltje folders aan, groet een voorbijganger, trekt een pluk onkruid tussen de stoeptegels vandaan, loopt naar binnen om stoffer en blik te halen. Alleen als de man aan een volgend deel van de heg begint, is zij niet afgeleid. Als hij ruw en snel snoeit, waardoor de bladeren verder op de stoep vallen, sommige bijna op straat. En daar let de vrouw op, dat de bladeren niet op straat komen. Alsof ze dan buiten haar bereik raken – een kind dat wil voorkomen dat de bal in de sloot rolt.

Als de man klaar is met het ruwe werk en weer takje voor takje, blaadje voor blaadje, losknipt, hurkt zij neer om met stoffer en blik een hoopje bladeren op te scheppen. Na drie keer opscheppen en het blik legen in de vuilniszak, komt ze overeind. Er liggen alweer nieuwe bladeren op de stoep. De man duwt zijn bekken naar voren, rekt zijn armen achter de rug. De heggenschaar ligt op de heg, met de scharen uit elkaar. Zij wrijft over zijn rug en haalt met haar andere hand iets uit d’r broekzak, brengt duim en wijsvinger van die hand naar zijn mond, die opengaat wanneer het snoepje zijn lippen raakt. Het snoepje verdwijnt, de man en vrouw kussen elkaar, en hij pakt de heggenschaar, zij de bezem.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites