In de rij voor de kassa stond de jongen die mij vroeger een tijdje als zijn beste vriend beschouwde. We kenden elkaar uit de buurt en ons contact bestond er vooral uit dat hij mij voortdurend opzocht en ik er alles aan deed hem te ontwijken. Hij was iemand waar je niet van af kwam.

Elke dag bellen of zonder aankondiging voor de deur staan, en helemaal voorbijgaan aan de mededeling dat je eigenlijk andere plannen hebt. Zo’n type.

Ik hoopte van hem verlost te zijn toen ik naar de andere kant van het dorp verhuisde. Hij leek me te lui om de afstand te overbruggen, zeker met het vooruitzicht op een vrijwel zekere afwijzing. Maar ik wist toen nog niet dat opdringerige types een nieuw obstakel slechts zien als een aanmoediging om te bewijzen wat ze voor je over hebben. Toen ik hem op een dag ons grindpad zag opfietsen, was ik zo overrompeld dat ik onder de eettafel dook en mijn moeder smeekte hem af te wimpelen. Of zij dat verzoek inwilligde, weten we allebei niet meer, maar zij kon zich het voorval wel voor de geest halen en voor zover zij zich kon herinneren kwam hij daarna nooit meer langs. Sterker nog, ik kan me niet herinneren hem ooit nog ergens gesproken of überhaupt gezien te hebben.

Nu stond hij daar ineens in de supermarkt waar ik heel vaak kom. Doodleuk in de rij voor de kassa, achter een volle boodschappenkar, in zijn werkkleding. Alsof hij hier al jaren zijn wekelijkse boodschappen kwam doen. Hoe kon het dat ik hem hier nooit eerder had gezien? Aan zijn uiterlijk lag het niet, hij zag er nog net zo uit als vroeger, zijn lichaam en hoofd in dezelfde pafferige verhoudingen. En nog steeds die bolle babyface. Waar had hij al die jaren uitgehangen?

Ik was op zich best nieuwsgierig naar zijn whereabouts, maar de herinnering aan zijn opdringerige gedrag weerhield me ervan hem aan te spreken, of zelfs maar in zijn blikveld te komen. Oogcontact betekende een praatje, en dat praatje zou  onherroepelijk leiden tot versprekingen, bijvoorbeeld over waar ik woonde. De gevolgen daarvan waren niet te overzien.

Toch kwam het ervan, het hernieuwde contact. Op de parkeerplaats. Hoewel ik binnen had gewacht met afrekenen tot hij helemaal uit het zicht was verdwenen, liep ik buiten bijna tegen hem op. Tijdens het inladen van zijn achterbak stond hij met iemand te praten. Dat had ik kunnen weten, types als hij houden daarvan, praatjes maken op parkeerplaatsen. Omdat de klep van zijn achterbak omhoog stond, zag ik hem pas in het voorbijgaan. Ik schrok en wilde wegkijken, maar hij had me al opgemerkt. ‘Ha Rick,’ zei hij, heel normaal, alsof we elkaar wel vaker tegenkwamen. Hij stopte niet eens met inladen. ‘Hoi,’ zei ik terug en stopte met lopen, maar hij was me alweer vergeten en ging verder met het praatje dat hij had onderbroken om mij te begroeten, en dat pas ophield toen ik in mijn auto stapte.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites