Ik lag op mijn rug in het harde en natte zand, steunend op mijn ellebogen. Mijn vingers groeven in het zand tot ze een laag bereikten waar de korrels in het vlees onder de nagels sneden. Het water kwam tot mijn hielen en stroomde er soms voorbij, zodat mijn voeten een stukje wegzonken. De zon brandde mijn huid droog en weerkaatste zo scherp in het water dat de kater die ik was vergeten weer in mijn kop kroop en ik mijn ogen nauwelijks open kon houden.

Ik vroeg me af waar die geniale vondsten bleven, want daarom lag ik toch hier in het harde zand zo interessant voor me uit te staren? Maar ik was me er te goed van bewust dat ik hier zo lag. Ik zag mezelf als het ware van een afstandje en kon alleen maar denken: wat ligt die kerel daar? Wil hij gezien worden of zo? En: wat heeft hij witte benen. Veel haar op zijn buik. En daarom schoot me helemaal niets te binnen, niets waardevols. Het enige dat me inviel was dat zonnebaden en drinken zo verdomd veel met elkaar gemeen hebben; er komt een moment waarop je niet meer tot je kunt nemen en even later – te laat, meestal – komt het besef dat je niet meer tot je kunt nemen, en eigenlijk moet stoppen. Je weet dat je anders voor lul zal staan en dat het pijn gaat doen, maar toch ga je door en de volgende keer doe je precies hetzelfde, negeer je alle goedbedoelde adviezen.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites