Het is de wind, zei ik. Laat maar. Het meisje trok haar hand terug alsof we waren betrapt. Het lijdend voorwerp van de voorbije minuten viel schuin naar achter, tegen de gesp van mijn riem. Ik verbeet de pijn. Weet je het zeker? vroeg het meisje. Ze zat al overeind en stroopte de mouw van haar blouse af. Dat er zoveel kracht schuilde in zulke dunne armen en kleine handen. Het is de wind, zei ik weer. Te koud.

We lagen voor een strandhokje, naast een windscherm dat niet bewoog en geen geluid maakte. We kunnen in het hokje gaan zitten, stelde ze voor en legde haar hand op mijn bovenbeen. De hand sloop omhoog. Ik schudde mijn hoofd, iets te snel misschien. Ik wil geen blaasontsteking, zei ik en liet haar het kippenvel op mijn armen zien. Zullen we teruggaan? Het meisje keek moeilijk. Weet je het zeker? vroeg ze weer. Ik bedoel, jij bent nog niet… Ik pakte haar hand en kneep er zachtjes in. Het geeft niet. Kom, laten we gaan.

We stonden op, klopten het zand van ons af en liepen het strand af, terug naar de discotheek. Het zand schuurde tussen mijn bovenbenen en de door haar veroorzaakte napijn voelde aan zoals ik me een vergevorderde soa voorstelde. Ik had zin om erover te aaien en hem wat bemoedigende woorden toe te fluisteren. Ik was zeventien, ik maakte me zorgen of het wel goed zou komen.

Deel via social media:
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • del.icio.us
  • Google Bookmarks
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites